Kleine jongens halen uit spinnenwebben weer hun schupkes boven, vegen het snot vanonder hun neuzen en krommen de jonge rugjes, waarrond mama nog snel en vol liefde een dikke jas heeft gehangen, over het koude zand. Straks begint de lente en dat wordt door hen gevierd die binnen enkele maanden nét hetzelfde komen doen, echter, met niet meer rond de lenden dan een zedig zwembroekje. Putten graven voor het steevast wassende water, zodat de slagkracht van de golven erin wordt gevangen - omdat hun bergen dan langer blijven staan, met hen erop, triomfators. Met een ijscrème of een boel in het pijnlijk vuistje. Nu is het de mama nog die vanonder haar dekentje een pannenkoek of banana split eet, zich verwonderend over dat wat zo simpel lijkt als het totje slagroom op een dessert. Soms ligt er zodanig veel op dat je er enkel rond kunt eten.
Iets verder reden hier een week geleden nog twee surfers op fietsen de wilde branding van winterfebruari tegemoet. Hun neopreen zou hen beschermen tegen dat haast vervroren schuim. Enkele wandelaars krabden zich het zilt uit het haar, van verwondering. Een Canadees wapende zijn Iphone en nam er rillend een foto van. Om te tonen aan de beren?
In datzelfde Vlaand'renland, maar verder weg van de zee, houden strafpleiters en nakomelingen, agenten en mensen uit de buurt, de adem in om het gefluister te horen van de boodschapper die hen eindelijk kan vertellen: hij daar heeft het gedaan. Of zij, wie weet. Het is geen zand waaruit de torens er zijn opgebouwd, maar zuilen van vergaarde rijkdom. Altijd wordt wel ergens een appel uitgeperst. De kroppen belanden in een put nabij een chalet.
Liet men zijn of haar appel vallen in het zand, men diende het af te wassen met flessenwater.
***
Straks wordt het lente, en ben ik een jaar onafgebroken in het land gebleven. Hopelijk wordt het voorjaar warm, net als vorige keer. Toen kwam ik terug van Observatory, Cape Town en merkte amper het verschil tussen een Afrikaanse herfst en een Belgische lente. Het Kaapse zand zat nog in mijn sokken, ondanks de vele gaten, toen ik de eerste keer terug op het strand van De Haan kwam, een beetje gedesillusioneerd en door het Afrikaanse leven gemakzuchtiger.
En dan nóg werd ik een soort van burger - deeltijds, dat wel, maar met een deeltijdse job, of twee. Kastelen bouwen doe ik nog steeds niet, en van appels blijft mijn verhemelte jeuken.
Koude kastelen warmen op. De wereld kreunt onder een gebrek aan geld, en beseft evenmin als het schreiende kind het nut van bitter medicijn.
Een naamsverandering dringt zich ondertussen aan deze blog op. De schrijver is immers al lang geen Kaapse aap meer, maar een verhuisde jongen die binnen twee maand en enkele dagen dertig wordt, zonder daar ooit om te hebben gevraagd.
Wat meteen de toon zet voor de komende twee maanden op deze blog: een klaagzang over mijn vermaledijd nakende dertigste verjaardag.
donderdag 23 februari 2012
donderdag 9 februari 2012
Ex-voetballers en messteken
Zo moet het ongeveer gebeurd zijn, beeldde ik me in nadat ik eens rustig het nieuwsbericht over de dood van Bruno Thoelen, ex-Anderlecht, had gelezen:
Donderdagavond 4 februari.
Een klant in de New Cardinal Ganshoren is blut, maar de dronkaard van twee huizen verder, Emiel, heeft net zijn blauwe kaart betaald gekregen en lispt tisss goed, vriend. Ik betaal u een pint (in zijn dialect, een rijm).
Ex-Anderlechtspeler Bruno Thoelen loopt rond in de zaak. Hij heeft de avondshift. Terwijl de barman nog twee pinten tapt, vertelt Emiel verder van dat jaar dat Bruno in het eerste elftal van les mauves speelde. Ronkende namen van vedetten uit de jaren '80 rollen en zeiken over de onderlip en rosse baard van Emiel die toen indertijd een seizoenskaart had. Scifo, Vandenbergh, Grün, Vercauteren, Peruzovic, Demol... Lozano.
"Lozano speelde niet toen ik in de A-kern zat."
"Nee das just, die zat toen op de bank van Madrid."
Bruno neemt het lege glas mee van de lege tafel en gaat naar vanachteren op de koer een sigaret roken. Binnen slaan de dronkaards elkaar een arm om de schouder en beginnen liedjes te zingen. Van die oude volkse, met schunnige teksten waar je nog meer van gaat speken als je ze bekt.
Met de rook van de tabak vervliegen op de koer ook de gedachten. Die ene match. Die slechte controle. Een teleurstellend debuut. Niet goed genoeg. En dan erna: voetballen voor peanuts. En te veel geld verdoen. veel te veel.
"Bruno," roept Emiel plots vanop de overloop naar de toiletten. "Iemand vraagt achter u."
En wanneer Bruno de gang inloopt om de nieuwkomer van zijn diensten te voorzien, trekt die ondankbare een mes dat hij drie keer in het bovenlichaam van de ex-profvoetballer steekt. Drie doffe ploffen. Hij graait naar de portefeuille en pakt fond de caisse, drinkgeld en daginkomsten integraal mee. De kelner blijft achter, bloedt snel dood, in de vitale delen geraakt. Niet veel later vinden Emiel en zijn vriend hem omdat vanonder de deur het bloed traag kwam gestroomd.
Terwijl het eerder op het koertje ging over training. Met Alex, die altijd lachte. De kameraden op cafee in brussel en overal, want als de ploeg won, dansten de muizen op tafel en tastten wijl de katten in het kruis.
Voor 200 euro; zoals men tegenwoordig de dingen uitdrukt die men niet goed snapt. Bruno Thoelen de kelner. Oude kelners zijn een soort anomalie. Ik voel me dan altijd ongemakkelijk. Wat een vreemde wereld, waarin mensen die twee keer zo oud zijn als ik voor 8 euro per uur mijn Cola komen inschenken. Met hun reuma. Met barmannen ligt dat anders, dan telt de reuma niet. Soit. Een barman ontvangt mensen, een kelner bedient.
+++
In de lijst van Anderlechtspelers staat Bruno Thoelen tussen Jean Thissen en Ode Thompson.
Ik wou ook wel eens weten wat de ploeggenoten ('84-'85) van Bruno zoal doen/deden. Een rijtje:
Linksbuiten Frank 'Franky' Vercauteren, die leerde voetballen op een pleintje in Kuregem, is nu een succestrainer bij ronkende naam Al Jazira (dankuwel, nieuwskanaal, denkt Frank wanneer hij 's avonds voor de scheve spiegel nalipt dat hij de succestrainer is van voornoemde club. Waarop, in het echte leven, niemand moet zeggen 'Al ja-wat?' Iets wat je wel kunt voorhebben met Al Shabab bijvoorbeeld. But then again Michel Preu-wadde?). (Want geld staat voor succes, red.)
Tweede doelman Dirk Vekeman bleef zeven jaar hoofdzakelijk op dezelfde plek zitten, in de schaduw van eerste keeper, Munaron. Toen kreeg hij aambeien en verkaste naar FC Boom, promoveerde, en speelde nog één seizoen in eerste, als eerste. Ook van zijn zere reet was 'ie verlost. Hij is nu verzekerst gelukkig met pensioen.
Wat met woelwater René Vandereycken de laatste twee jaar is gebeurd, weten ze misschien enkel op sportredacties, of bij de familie Vandereycken, but who really cares.
Erwin Vandenbergh zette een cultzoon op de wereld (16 mei 1983; nu bank malinois), en zelfs Scifo (de pre-kompany sierlijkste Belgische voetballer ooit) is enigszins verdwenen, maar die kan zich warm laven aan de wetenschap dat de sierlijkste voetballer ooit zijn zoon naar hem vernoemde. Beat that, Erwin.
Over Luka Peruzovic kan men dan weer een boek eerder dan een blog volschrijven. Het zal een thriller worden.
Munaron doet nog steeds aan keepen, nu bij AA Gent. Ze gaan die nog met van die wanten in zijn kist mogen steken.
De Hollander Hofkens, centrale verdediger, ging later nog over naar KV Mechelen dat in die periode de luis in de paarse pels werd. Dat moet deugd gedaan hebben voor de opvliegende Nederlander, die in 2007 zijn moment de gloire beleefde door als trainer te worden ontslagen alvorens de eerste wedstrijd werd gespeeld. Hij had boel met de spelers van HSV Hoek, en haalde daarmee het journaal.
Arnor Gudjohnson werd de vader van de technisch minst begaafde speler die ooit mee mocht doen bij het moderne Barca. Georges Grün blijkt een verwijfde tv-commentator bij de Walen, en van Dirk Goossens vertellen bronnen dat hij mondig was, Anderlecht verliet omdat hij niet mocht spelen, in Antwerpen van Beerschot naar de bosuil verhuisde - de jood - tot hij 35 was, om dan eigenaar te worden van een deel bordelen, ik denk in de Aarschotstraat. En ook stal hij auto's. Richtte illegale casino's op. Plus oplichting, afpersing. En massa's, massa's drugs. Cocaïne die hij in een klein plastieken doosje met een rietje in bewaart.
Per Frimann was een saaie Deen, een vaste waarde op het middenveld. Stéphane Demol heeft dezelfde manieren als F.V., maar de malchance dat Cyprioten geen terroristen zijn. Ah nee. Turken en Grieken... Arm zijn. Bovendien heeft men van de maffia hem daar bij de zebra's een zodanige kloot afgetrokken dat hij waarschijnlijk beter nog even in het buitenland blijft.
En Czernia! De Robin Hood van het Belgisch clubvoetbal (Wembley 1993, buitenkantje voet tot bij Francis Cisse Severeyns (0.44) een schelmenstreek.). Jaren verzopen in het desolate land der lagere klassen - Maar Lo! wie steekt in tweede klasse plots de kop uit het zomp? Alex Czerniatynski, hoofdtrainer van Sportkring Sint-Niklaas, een club met een naam voor provinciale. Moge je promoveren, Alex! (Ze staan vijftiende van achttien, 31 punten na Eupen. Het wordt moeilijk.)
En de Deen Frank Arnesen tenslotte, die liep er ook bij. Die werd manager en ontdekte spelers als Ronaldo en Robben bij PSV. Faut le faire. Daarna bij de Spurs. En Chelski. En nu Hamburg.
Hij werd er stinkend rijk mee, en geeft sindsdien altijd dikke fooi.
Donderdagavond 4 februari.
Een klant in de New Cardinal Ganshoren is blut, maar de dronkaard van twee huizen verder, Emiel, heeft net zijn blauwe kaart betaald gekregen en lispt tisss goed, vriend. Ik betaal u een pint (in zijn dialect, een rijm).
Ex-Anderlechtspeler Bruno Thoelen loopt rond in de zaak. Hij heeft de avondshift. Terwijl de barman nog twee pinten tapt, vertelt Emiel verder van dat jaar dat Bruno in het eerste elftal van les mauves speelde. Ronkende namen van vedetten uit de jaren '80 rollen en zeiken over de onderlip en rosse baard van Emiel die toen indertijd een seizoenskaart had. Scifo, Vandenbergh, Grün, Vercauteren, Peruzovic, Demol... Lozano.
"Lozano speelde niet toen ik in de A-kern zat."
"Nee das just, die zat toen op de bank van Madrid."
Bruno neemt het lege glas mee van de lege tafel en gaat naar vanachteren op de koer een sigaret roken. Binnen slaan de dronkaards elkaar een arm om de schouder en beginnen liedjes te zingen. Van die oude volkse, met schunnige teksten waar je nog meer van gaat speken als je ze bekt.
Met de rook van de tabak vervliegen op de koer ook de gedachten. Die ene match. Die slechte controle. Een teleurstellend debuut. Niet goed genoeg. En dan erna: voetballen voor peanuts. En te veel geld verdoen. veel te veel.
"Bruno," roept Emiel plots vanop de overloop naar de toiletten. "Iemand vraagt achter u."
En wanneer Bruno de gang inloopt om de nieuwkomer van zijn diensten te voorzien, trekt die ondankbare een mes dat hij drie keer in het bovenlichaam van de ex-profvoetballer steekt. Drie doffe ploffen. Hij graait naar de portefeuille en pakt fond de caisse, drinkgeld en daginkomsten integraal mee. De kelner blijft achter, bloedt snel dood, in de vitale delen geraakt. Niet veel later vinden Emiel en zijn vriend hem omdat vanonder de deur het bloed traag kwam gestroomd.
Terwijl het eerder op het koertje ging over training. Met Alex, die altijd lachte. De kameraden op cafee in brussel en overal, want als de ploeg won, dansten de muizen op tafel en tastten wijl de katten in het kruis.
Voor 200 euro; zoals men tegenwoordig de dingen uitdrukt die men niet goed snapt. Bruno Thoelen de kelner. Oude kelners zijn een soort anomalie. Ik voel me dan altijd ongemakkelijk. Wat een vreemde wereld, waarin mensen die twee keer zo oud zijn als ik voor 8 euro per uur mijn Cola komen inschenken. Met hun reuma. Met barmannen ligt dat anders, dan telt de reuma niet. Soit. Een barman ontvangt mensen, een kelner bedient.
+++
In de lijst van Anderlechtspelers staat Bruno Thoelen tussen Jean Thissen en Ode Thompson.
Ik wou ook wel eens weten wat de ploeggenoten ('84-'85) van Bruno zoal doen/deden. Een rijtje:
Linksbuiten Frank 'Franky' Vercauteren, die leerde voetballen op een pleintje in Kuregem, is nu een succestrainer bij ronkende naam Al Jazira (dankuwel, nieuwskanaal, denkt Frank wanneer hij 's avonds voor de scheve spiegel nalipt dat hij de succestrainer is van voornoemde club. Waarop, in het echte leven, niemand moet zeggen 'Al ja-wat?' Iets wat je wel kunt voorhebben met Al Shabab bijvoorbeeld. But then again Michel Preu-wadde?). (Want geld staat voor succes, red.)
Tweede doelman Dirk Vekeman bleef zeven jaar hoofdzakelijk op dezelfde plek zitten, in de schaduw van eerste keeper, Munaron. Toen kreeg hij aambeien en verkaste naar FC Boom, promoveerde, en speelde nog één seizoen in eerste, als eerste. Ook van zijn zere reet was 'ie verlost. Hij is nu verzekerst gelukkig met pensioen.
Wat met woelwater René Vandereycken de laatste twee jaar is gebeurd, weten ze misschien enkel op sportredacties, of bij de familie Vandereycken, but who really cares.
Erwin Vandenbergh zette een cultzoon op de wereld (16 mei 1983; nu bank malinois), en zelfs Scifo (de pre-kompany sierlijkste Belgische voetballer ooit) is enigszins verdwenen, maar die kan zich warm laven aan de wetenschap dat de sierlijkste voetballer ooit zijn zoon naar hem vernoemde. Beat that, Erwin.
Over Luka Peruzovic kan men dan weer een boek eerder dan een blog volschrijven. Het zal een thriller worden.
Munaron doet nog steeds aan keepen, nu bij AA Gent. Ze gaan die nog met van die wanten in zijn kist mogen steken.
De Hollander Hofkens, centrale verdediger, ging later nog over naar KV Mechelen dat in die periode de luis in de paarse pels werd. Dat moet deugd gedaan hebben voor de opvliegende Nederlander, die in 2007 zijn moment de gloire beleefde door als trainer te worden ontslagen alvorens de eerste wedstrijd werd gespeeld. Hij had boel met de spelers van HSV Hoek, en haalde daarmee het journaal.
Arnor Gudjohnson werd de vader van de technisch minst begaafde speler die ooit mee mocht doen bij het moderne Barca. Georges Grün blijkt een verwijfde tv-commentator bij de Walen, en van Dirk Goossens vertellen bronnen dat hij mondig was, Anderlecht verliet omdat hij niet mocht spelen, in Antwerpen van Beerschot naar de bosuil verhuisde - de jood - tot hij 35 was, om dan eigenaar te worden van een deel bordelen, ik denk in de Aarschotstraat. En ook stal hij auto's. Richtte illegale casino's op. Plus oplichting, afpersing. En massa's, massa's drugs. Cocaïne die hij in een klein plastieken doosje met een rietje in bewaart.
Per Frimann was een saaie Deen, een vaste waarde op het middenveld. Stéphane Demol heeft dezelfde manieren als F.V., maar de malchance dat Cyprioten geen terroristen zijn. Ah nee. Turken en Grieken... Arm zijn. Bovendien heeft men van de maffia hem daar bij de zebra's een zodanige kloot afgetrokken dat hij waarschijnlijk beter nog even in het buitenland blijft.
En Czernia! De Robin Hood van het Belgisch clubvoetbal (Wembley 1993, buitenkantje voet tot bij Francis Cisse Severeyns (0.44) een schelmenstreek.). Jaren verzopen in het desolate land der lagere klassen - Maar Lo! wie steekt in tweede klasse plots de kop uit het zomp? Alex Czerniatynski, hoofdtrainer van Sportkring Sint-Niklaas, een club met een naam voor provinciale. Moge je promoveren, Alex! (Ze staan vijftiende van achttien, 31 punten na Eupen. Het wordt moeilijk.)
En de Deen Frank Arnesen tenslotte, die liep er ook bij. Die werd manager en ontdekte spelers als Ronaldo en Robben bij PSV. Faut le faire. Daarna bij de Spurs. En Chelski. En nu Hamburg.
Hij werd er stinkend rijk mee, en geeft sindsdien altijd dikke fooi.
maandag 30 januari 2012
Avonturen in Aquatopia Antwerpen
De eerste bocht om de hoek, net na het draaiend inkompoortje naast de kassa van Aquatopia, is al meteen een eerste hindernis voor de nochtans redelijk avontuurlijk aangelegde Lucas. Om vanuit het veilige licht via een blauwe doch vriendelijk uitziende octopus (de mascotte) het donker van de eerste bezoekerszaal te betreden, graaft hij in het diepste van zijn strijdershart.
Met wijde ogen stokt toch zijn stap. Ik maak onze intenties duidelijk en trek iets harder aan zijn armpje, maar niet te hard want anders floept het misschien uit de kom, wegens erg soepele gewrichtjes. Kort schudt hij met zijn hoofd van neen, waarna ik hem oppak en de eerste zaal inwandel. (Net dan steekt een timerklok ergens weggestoken in het decor een regenwoudeffect in gang, waardoor het plots stroboscopen bliksemt en één dondert vanaf tape. Oh nee, denk ik. Hopelijk is het geen echte schijter.)
Binnen ligt een vijver met vissen, sommige kanjers, het soort van in Plato's ideeënwereld, waar hij voortdurend - zijn eerdere besognes al lang vergeten - naar staat te wijzen, samen met een soort van gespikkelde roggen.
"Kijk Lucas! Een platte vis."
"Platte visssss," roept hij telkens de rog onder of vanonder het voetgangersbrugje zwemt. Later zwemmen er in een andere bokaal pijlstaartroggen, en herhaalt Lucas wat hij net heeft bijgeleerd.
***
We staan te kijken naar de piranha's wanneer ik voor de tweede keer een strontlucht gewaarword. Met tegenzin (pampers verversen is niemands ding) hef ik de kont van de kleine Lucas naar mijn gezicht, maar merk geen penetrantere geur.
"Heeft Lucas kaka gedaan?"
Hij schudt gedecideerd met het hoofd maar de stank blijft onmiskenbaar in de lucht.
"T zal één van onze gasten zijn," zegt plots één van de twee jonge twintigers die twee mongooltjes van een jaar of 12 en 14 begeleiden.
Mijn opluchting is zo groot dat ik enkel oef kan zeggen. Achteraf vertel ik aan grote zus over wat gebeurde, waarop ze zegt dat Lucas' ontkenning van kaka geen garantie is op een propere pamper.
***
Na ons bezoek volgt de verplichte passage in de gift shop, en hoewel ik vandaag zelf geen sucker ben voor souveniers, als kind kwam Jantje van de zoo wel steevast terug met een plastieken spin, opwindbare vogel, of, what else, dinosaurus op schaal, vind ik dat mijn flink petekind een hebbeding verdient.
Lucas' oog valt op een doos op de grond waarin plastieken vissen liggen. Er zijn er vijf verschillende: dolfijn, orka, walvishaai, blauwe haai en hondshaai, de laatste drie uniform behalve de verf. Zorgvuldig zoekt hij van elke soort één specimen uit; met vijf vissen onder zijn twee armpjes gestoken, komt hij voor met staan.
"Zuzassss," declameert hij met een trotse blik. Geheel pedagogische verantwoord antwoord ik met
"Neen Lucas, één vis."
Beteuterd loopt hij naar de doos en legt er zijn vangst terug in. Ik zie hem een enkele blauwe haai vastnemen en van naderbij bekijken. En dan nog één, en dan nog één. Met drie identieke blauwe haaien komt hij opnieuw voor me staan.
"Zuzassss!" Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Hij ziet dat en gaat trots verder.
"Zuzassss vissss!"
Ik leg opnieuw uit dat hij écht maar één vis mee naar huis kan nemen. Sip gooit hij de gelijke haaien terug in de doos. Na lange deliberatie (bestaande uit elke soort nog eens van dichtbij onderzoeken, vinger in de muil, dat soort van prospectie) kiest hij de orka.
"Orka! Zuzassss Orka!"
En blij met zijn keuze geeft Lucas het vijf euro blaadje aan de kassamadam.
Wanneer we het stationsplein oversteken om de tram terug richting Berchem te nemen, raakt me hoe wonderbaarlijk 'alles' is; het leven dat zich, ook en zelfs op het einde van de langste maand januari ooit, ongestoord verder ontplooit en er telkens weer in slaagt je in de ogen te schijnen, onverwachts, als een spiegel die gebroken op een bouwwerf ligt waar je met stoppen in je oren langsloopt op weg naar Delhaize, en waarvan één van de scherven zo gekanteld ligt dat de hoek van de schaarste winterzon en je focalisatiepunt op één perfect geometrische lijn samenkomen.
Hoe stilte er enkel is om te doorbreken. En vice versa. Dat alles wat luid is, ophoudt.
Met wijde ogen stokt toch zijn stap. Ik maak onze intenties duidelijk en trek iets harder aan zijn armpje, maar niet te hard want anders floept het misschien uit de kom, wegens erg soepele gewrichtjes. Kort schudt hij met zijn hoofd van neen, waarna ik hem oppak en de eerste zaal inwandel. (Net dan steekt een timerklok ergens weggestoken in het decor een regenwoudeffect in gang, waardoor het plots stroboscopen bliksemt en één dondert vanaf tape. Oh nee, denk ik. Hopelijk is het geen echte schijter.)
Binnen ligt een vijver met vissen, sommige kanjers, het soort van in Plato's ideeënwereld, waar hij voortdurend - zijn eerdere besognes al lang vergeten - naar staat te wijzen, samen met een soort van gespikkelde roggen.
"Kijk Lucas! Een platte vis."
"Platte visssss," roept hij telkens de rog onder of vanonder het voetgangersbrugje zwemt. Later zwemmen er in een andere bokaal pijlstaartroggen, en herhaalt Lucas wat hij net heeft bijgeleerd.
***
We staan te kijken naar de piranha's wanneer ik voor de tweede keer een strontlucht gewaarword. Met tegenzin (pampers verversen is niemands ding) hef ik de kont van de kleine Lucas naar mijn gezicht, maar merk geen penetrantere geur.
"Heeft Lucas kaka gedaan?"
Hij schudt gedecideerd met het hoofd maar de stank blijft onmiskenbaar in de lucht.
"T zal één van onze gasten zijn," zegt plots één van de twee jonge twintigers die twee mongooltjes van een jaar of 12 en 14 begeleiden.
Mijn opluchting is zo groot dat ik enkel oef kan zeggen. Achteraf vertel ik aan grote zus over wat gebeurde, waarop ze zegt dat Lucas' ontkenning van kaka geen garantie is op een propere pamper.
***
Na ons bezoek volgt de verplichte passage in de gift shop, en hoewel ik vandaag zelf geen sucker ben voor souveniers, als kind kwam Jantje van de zoo wel steevast terug met een plastieken spin, opwindbare vogel, of, what else, dinosaurus op schaal, vind ik dat mijn flink petekind een hebbeding verdient.
Lucas' oog valt op een doos op de grond waarin plastieken vissen liggen. Er zijn er vijf verschillende: dolfijn, orka, walvishaai, blauwe haai en hondshaai, de laatste drie uniform behalve de verf. Zorgvuldig zoekt hij van elke soort één specimen uit; met vijf vissen onder zijn twee armpjes gestoken, komt hij voor met staan.
"Zuzassss," declameert hij met een trotse blik. Geheel pedagogische verantwoord antwoord ik met
"Neen Lucas, één vis."
Beteuterd loopt hij naar de doos en legt er zijn vangst terug in. Ik zie hem een enkele blauwe haai vastnemen en van naderbij bekijken. En dan nog één, en dan nog één. Met drie identieke blauwe haaien komt hij opnieuw voor me staan.
"Zuzassss!" Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Hij ziet dat en gaat trots verder.
"Zuzassss vissss!"
Ik leg opnieuw uit dat hij écht maar één vis mee naar huis kan nemen. Sip gooit hij de gelijke haaien terug in de doos. Na lange deliberatie (bestaande uit elke soort nog eens van dichtbij onderzoeken, vinger in de muil, dat soort van prospectie) kiest hij de orka.
"Orka! Zuzassss Orka!"
En blij met zijn keuze geeft Lucas het vijf euro blaadje aan de kassamadam.
Wanneer we het stationsplein oversteken om de tram terug richting Berchem te nemen, raakt me hoe wonderbaarlijk 'alles' is; het leven dat zich, ook en zelfs op het einde van de langste maand januari ooit, ongestoord verder ontplooit en er telkens weer in slaagt je in de ogen te schijnen, onverwachts, als een spiegel die gebroken op een bouwwerf ligt waar je met stoppen in je oren langsloopt op weg naar Delhaize, en waarvan één van de scherven zo gekanteld ligt dat de hoek van de schaarste winterzon en je focalisatiepunt op één perfect geometrische lijn samenkomen.
Hoe stilte er enkel is om te doorbreken. En vice versa. Dat alles wat luid is, ophoudt.
dinsdag 17 januari 2012
Was Tine...
Was Tine een klein meisje
Ze liep parmantig doch bedeesd
Aan mama’s hand
Vér wijzend naar verwondering
En met veel theater de neus opgetrokken
“Mama, die geur van wat is dat?”
“Van koffie en croissants, mijn schat
Van meisjes en ontbijtjes.”
Was Tine een jonge vrouw
Ze liep in botten met een hak
Aan Seba’s hand
Door ons omringd naar feestjes
Alwaar ze rode wijn bestelt
En juist vertelt over het leven
Het mooie in het licht
Van het kleine.
Was Tine een oude dame
Ze liep geholpen door een looprek
(Omdat mannen nu eenmaal vroeger sterven)
Langs kamers van andere dames
Tijdens namiddagen van thee-dansant
Een bloem zorgvuldig
In het haar gevlochten
Want mooi ben je nooit alleen.
Nu, vandaag
Lopen er door straten
Voor hen die zoekers werden
Kleine meisjes, jonge vrouwen, oude dames
Die Tine konden zijn
Maar niét zijn, net zoals
Tine soms zichzelf niet kon zijn.
Te veel pillen
Tegen te veel pijn
Laten vrienden speurend achter
Tiny bits of Tine
In elk van ons
En in het hartje van de bloem
Voorwaar een dikke zoen
Van haar, aan wie we enkel kunnen zeggen:
Adieu vriendin
Je hebt oneindig veel gegeven
De rust heb je verdiend.
Ze liep parmantig doch bedeesd
Aan mama’s hand
Vér wijzend naar verwondering
En met veel theater de neus opgetrokken
“Mama, die geur van wat is dat?”
“Van koffie en croissants, mijn schat
Van meisjes en ontbijtjes.”
Was Tine een jonge vrouw
Ze liep in botten met een hak
Aan Seba’s hand
Door ons omringd naar feestjes
Alwaar ze rode wijn bestelt
En juist vertelt over het leven
Het mooie in het licht
Van het kleine.
Was Tine een oude dame
Ze liep geholpen door een looprek
(Omdat mannen nu eenmaal vroeger sterven)
Langs kamers van andere dames
Tijdens namiddagen van thee-dansant
Een bloem zorgvuldig
In het haar gevlochten
Want mooi ben je nooit alleen.
Nu, vandaag
Lopen er door straten
Voor hen die zoekers werden
Kleine meisjes, jonge vrouwen, oude dames
Die Tine konden zijn
Maar niét zijn, net zoals
Tine soms zichzelf niet kon zijn.
Te veel pillen
Tegen te veel pijn
Laten vrienden speurend achter
Tiny bits of Tine
In elk van ons
En in het hartje van de bloem
Voorwaar een dikke zoen
Van haar, aan wie we enkel kunnen zeggen:
Adieu vriendin
Je hebt oneindig veel gegeven
De rust heb je verdiend.
zaterdag 24 december 2011
Eindejaarsstreken
Zelden drink ik méér dan tijdens de eindejaarsperiode. Dat geldt waarschijnlijk voor velen, maar toch; het is op deze zaterdagvoormiddag (traditioneel al een dag met kater) dat ik tot u allen kom om toe te geven: Ik ben een caféganger. Nen Uomo Barealis.
Zodus op zaterdag- en zondagmorgen riek ik meestal naar den drank. Hah!
Dergelijks spits me in the face meer dan anders, nu, einde 2011. (Het verschil met doordejaarse dagen is dat je soms 's middags rond de feestdis al terug aan de wijn begint. Of jenevers op een kerstmarkt, godbetert.)
Vandaag, bijvoorbeeld, kijk ik op mijn koningsblauw beschreven armen om te zien dat ik iemand een gele portefeuille moet. En dat ik ga bewijzen dat rood hetzelfde is als wit-met-strepen. Het had, vermoed ik, iets van doen met onderbroekjes. Straks kijk ik verder in mijn broekzak en vind op zijn minst twee vreemde objecten (links en rechts). Verleden keer zat er een tandenstoker in. En ooit een toegangsticket van de Boccaccio in Halen. Ik ben nog nooit naar de Boccaccio geweest, óf in Halen.
+++
Maar luistert goed en stil, vriendschap. Ik heb geen voornemens. Ik heb geen plannen om een beter mens te worden. Om minder te zuipen en te stoppen met roken. Om niet meer te zijn wie ik ben, een egoïstische en occasionele dronkaard. Integendeel. En Hell, ik weet zelfs en eigenlijk niet of ik binnen twee weken nog in dit land ben. (Maar waarschijnlijk wel.)
Het was vooral deze ochtend, toen ik met de eerste tram terug naar Oostende reed, dat ik dacht: Jantje, dat continent roept zo hard je naam dat je er niet langer doof voor kunt blijven.
En zo rolde met het eerste licht ook een echo over de duinen.
(Het klonk als merry fucking christmas, asshole.)
Zodus op zaterdag- en zondagmorgen riek ik meestal naar den drank. Hah!
Dergelijks spits me in the face meer dan anders, nu, einde 2011. (Het verschil met doordejaarse dagen is dat je soms 's middags rond de feestdis al terug aan de wijn begint. Of jenevers op een kerstmarkt, godbetert.)
Vandaag, bijvoorbeeld, kijk ik op mijn koningsblauw beschreven armen om te zien dat ik iemand een gele portefeuille moet. En dat ik ga bewijzen dat rood hetzelfde is als wit-met-strepen. Het had, vermoed ik, iets van doen met onderbroekjes. Straks kijk ik verder in mijn broekzak en vind op zijn minst twee vreemde objecten (links en rechts). Verleden keer zat er een tandenstoker in. En ooit een toegangsticket van de Boccaccio in Halen. Ik ben nog nooit naar de Boccaccio geweest, óf in Halen.
+++
Maar luistert goed en stil, vriendschap. Ik heb geen voornemens. Ik heb geen plannen om een beter mens te worden. Om minder te zuipen en te stoppen met roken. Om niet meer te zijn wie ik ben, een egoïstische en occasionele dronkaard. Integendeel. En Hell, ik weet zelfs en eigenlijk niet of ik binnen twee weken nog in dit land ben. (Maar waarschijnlijk wel.)
Het was vooral deze ochtend, toen ik met de eerste tram terug naar Oostende reed, dat ik dacht: Jantje, dat continent roept zo hard je naam dat je er niet langer doof voor kunt blijven.
En zo rolde met het eerste licht ook een echo over de duinen.
(Het klonk als merry fucking christmas, asshole.)
donderdag 15 december 2011
De herontdekking van de haardroger
Ik ga er geen handdoekjes omwinden: onlangs herontdekte ik de haardroger. Misschien dat het tien jaar geleden was dat ik er nog zo één gebezigd had, toen mijn haar nog lang was en in een staart en het niet anders kon. Misschien ook niet. Het voelde in elk geval aan als een onbestemde datum, iets van ver vervlogen dagen. (Lang haar in een staart - hoe onbestemd kan 's mans verleden zijn?)
Maar plots had ik terug een haardroger in de hand - geen idee waarom. Ik droogde er mijn haar mee dat er achteraf glanzend en volumineus uitzag.
Tiens, dacht ik, na jaren geregeld plat kapsel.
Ook ontdekte ik enkele douches later dat je er de damp snel mee van de spiegel krijgt.
En dat, hoe koud de kamer ook is, warme lucht de bibber stopt.
Shit zeg, dacht ik.
Wat een geweldig apparaat.
Daarbij uitdagend bloot door het raam naar buiten kijkend.
Maar plots had ik terug een haardroger in de hand - geen idee waarom. Ik droogde er mijn haar mee dat er achteraf glanzend en volumineus uitzag.
Tiens, dacht ik, na jaren geregeld plat kapsel.
Ook ontdekte ik enkele douches later dat je er de damp snel mee van de spiegel krijgt.
En dat, hoe koud de kamer ook is, warme lucht de bibber stopt.
Shit zeg, dacht ik.
Wat een geweldig apparaat.
Daarbij uitdagend bloot door het raam naar buiten kijkend.
vrijdag 2 december 2011
Kwis I
Kwis in La Rana in De Haan. Donderdagavond: tram en dan pintjes in 't café en een blad met vragen en foto's. Vooral venten kijken naar vooral andere venten om op te maken of ze het antwoord wél weten. Meestal kijken ze vooral naar de vrouwen, maar nu niet want er is iets belangrijkers op til.
Pils hijsen en tegelijkertijd je kop breken; het is niet iedereen gegeven. Het is ook niet iedereen gegund; zij die er al langer plakken - pintje achter 't werk is een verraderlijk beestje - hebben al een krak in de schedel. Beter gaan ze nu naar huis. Beter vóór de cava, ook al moet worden gezegd: niet alle dronkaards zijn zieners. Dat mijn ploeggenoot in kwestie beter avond had gegeten, staat halverwege de eerste ronde al vast. Hij kon toen ook niet weten dat er cava volgde.
Ook ergens halverwege de eerste ronde volgende vraag:
Hoe heet het merk dat in de jaren '90 voor het eerst shampoo en conditioner in één uitbracht onder de naam Wash & Go?
De jaren negentig waren helemaal mijn ding: ik was er leergierig. Een sponsje dat feiten opnam als ware het water. Van lange Latijnse dinosaurusnamen (parasaurolophus) tot, blijkbaar, producenten van innoverende haarproducten.
Vandaar dat ik onmiddellijk het antwoord opschreef: Vidal Sassoon.
Later die avond won mijn ploeg dus die fles cava, met één puntje verschil, van een ploeg die niet wist dat Wash & Go van Vidal Sassoon was.
Zo zie je maar.
Ik heb geen flauw idee hoe dat volstrekt belachelijk en nutteloos stukje informatie al die jaren is kunnen blijven hangen (het is bijna, om het met een bij het haar gegrepen voetbalneologisme te zeggen, als afval in mn spel). Was ik gisteren niet naar de kwis in La Rana geweest, ik ging gestorven zijn zonder ooit nog Vidal Sassoon te zeggen. Ergens maakt me dat verdrietig. De tijd van het jaar.
Want eigenlijk is het wél een goeie naam. Bekt lekker weg, die Vidal Sassoon.
En het feit dat Gore Vidal en Siegfried Sassoon twee schrijvers zijn die ik bij naam en werken ken, zal ook wel geholpen hebben bij het opslaan.
Pils hijsen en tegelijkertijd je kop breken; het is niet iedereen gegeven. Het is ook niet iedereen gegund; zij die er al langer plakken - pintje achter 't werk is een verraderlijk beestje - hebben al een krak in de schedel. Beter gaan ze nu naar huis. Beter vóór de cava, ook al moet worden gezegd: niet alle dronkaards zijn zieners. Dat mijn ploeggenoot in kwestie beter avond had gegeten, staat halverwege de eerste ronde al vast. Hij kon toen ook niet weten dat er cava volgde.
Ook ergens halverwege de eerste ronde volgende vraag:
Hoe heet het merk dat in de jaren '90 voor het eerst shampoo en conditioner in één uitbracht onder de naam Wash & Go?
De jaren negentig waren helemaal mijn ding: ik was er leergierig. Een sponsje dat feiten opnam als ware het water. Van lange Latijnse dinosaurusnamen (parasaurolophus) tot, blijkbaar, producenten van innoverende haarproducten.
Vandaar dat ik onmiddellijk het antwoord opschreef: Vidal Sassoon.
Later die avond won mijn ploeg dus die fles cava, met één puntje verschil, van een ploeg die niet wist dat Wash & Go van Vidal Sassoon was.
Zo zie je maar.
Ik heb geen flauw idee hoe dat volstrekt belachelijk en nutteloos stukje informatie al die jaren is kunnen blijven hangen (het is bijna, om het met een bij het haar gegrepen voetbalneologisme te zeggen, als afval in mn spel). Was ik gisteren niet naar de kwis in La Rana geweest, ik ging gestorven zijn zonder ooit nog Vidal Sassoon te zeggen. Ergens maakt me dat verdrietig. De tijd van het jaar.
Want eigenlijk is het wél een goeie naam. Bekt lekker weg, die Vidal Sassoon.
En het feit dat Gore Vidal en Siegfried Sassoon twee schrijvers zijn die ik bij naam en werken ken, zal ook wel geholpen hebben bij het opslaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)