woensdag 16 februari 2011

Kogel

BlamKrshhhh(klingelklingel)bbbwwwwoooongggggooonnngggongkrshhhhklingelknlingel. Er is een kogel door een kerk. Wie zo ongevoelig was om een blauwe boon door glas in lood te knallen, doet er niet toe.
Maar ik kom naar huis, om een deftig visum te regelen. Het vooruitzicht als illegaal een PhD te beginnen, beviel me niet echt. Ik heb de marginaliteit hier een beetje verkend, en dat is niets voor mij. Ik houd niet zo van kartonnen muren; maar dat is een heel ander verhaal.
22 Maart vlieg ik naar huis. Tot 15 mei hoop ik u dan te kunnen verblijden met mijn aanwezigheid. En zo laat ik binnen een ruime maand het leven achter dat me op de hielen trapte. Had ik ooit gedacht in alle stilte boekenwurm te kunnen spelen, dan bleek het continentaal een heel ander verhaal - van mysterieuze begraafplaatsen tot avonturen in de rechtzaal, met tussenin een afscheid van de zweden... toch iets speciaals, die korte intense vriendschapsrelaties in das buitenland.

Ik had het emailadres van de prof met specialisatie in lokale geschiedenis (hij publiceerde net een boek over het Groote Schuur hospitaal, waar ooit de eerste harttransplantatie werd uitgevoerd. Dat ligt ook in 'mijn buurt'). Maar hij kon me niet helpen, gaf enkel wat auteursnamen, voor de algemene geschiedenis van Mowbray, en gazetten van die tijd, als antwoord op de vraag naar het lot van de zusjes. Ga zelf zoeken, man zonder land! Thanks for the intriguing inquiry zie t'ie. Een mens moet aan iets zijn hart ophalen. Al wordt het nu enkel nog interessanter..
Maar aangezien dat eerder vermelde hakkengetrap des levens trek ik heel dat verhaal even op een leeggedronken wijnfles. Wordt vervolgd, ergens in mei, of eerder toch, als de jeuk zodanig erg wordt dat het schart. En om die lummel van een huisbaas Aubrey (short for Abraham, deed research uitwijzen) een kloot af te nijpen, moet ik eerst zijn adres zien te vinden. En dat blijkt niet zo simpel. Man zonder land... zonder huis ja.

INTERMEZZO, waarde landgenoten - woorden voor een koning maar ik ben al vergeven, ben ik het niet? Wat is dat ginder met Ons Land? Wat moet ik seffens zeggen: I am Flemish (hoe zeg je trouwens: I am a Belgian, Englishman, Israelite? I am a Flemish(man)? Dat trekt toch op de kloten times two). Moet ik me straks in mn boosheid volhardend ex-belg gaan noemen? The globalite formerly known as belgian? Ben ondertussen met de onderhandelingen gestart omtrent een domiciliering bij de walen. Haha onderhandelingen. Mij gaat De Vlaming niet liggen hebben.

Als er tegen 22 maart geen regering is, stuur ik een brief naar de koning. Beste Albert, Koning der Belgen... enzovoort. Sommige dingen schrijven zichzelf.

Dit meldde u, voorlopig nog belg in het buitenland,

K.J.

vrijdag 4 februari 2011

Op straat

Ik sta op straat, want mijn huisbaas Aubrey heeft me buitengezet. Omdat ik geen geregistreerde student ben, en hij enkel mag verhuren aan studenten. Om half twaalf stond hij aan mijn deur en zei: Ik heb een probleem met jij hier, move out now.
Ik heb geprobeerd met rede, gevraagd om een paar dagen, één dag, maar geen avans. Dat het goed kan zijn dat er enkel een telefoontje van het English Department nodig is om mijn status te fiksen, kan Aubrey weinig schelen. Ik had het moeten weten, met zo'n flikkernaam. Een nieuw plan dringt zich op.

Ik begon te denken, misschien kan ik hem nog een loer draaien dus zond een sms met de boodschap dat ik een kopie van het contract wil. Een kwartier later stond hij aan mijn deur met twee agenten, ze gaan in je kot naar drugs zoeken, zei 't ie. Doe maar, zei ik, goed wetende dat er gevolgen zouden zijn. In een grijze plastic zak weggemoffeld in mijn toiletzak. I knew it, he knew it.
Ze zochten wat, en toen zei Aubrey, als je nu vertrekt, stuur ik de agenten weg. Ik antwoordde das goed, net op het moment dat één van de agenten de kastdeur waarin ook mijn toiletzak lag, opentrok en recht op het grijze pakketje keek, dat hij vastnam. Neenee, zei Aubrey, het is goed, laat maar zijn nu. In een kwartier tijd heb ik dan alles samengeschart: mn kletsnatte was, toen nog in staat van spinnen, ligt hier naast me op straat te leken.
Later viel het oog van dezelfde flik op mijn rizla's, en ik zei ja meneer de agent, ik rook soms een spliff om te ontspannen. Aubrey: dat is misschien mogelijk in Europa, maar hier vlieg je daarvoor in de bak waarop de andere flik that's alright. Overigens stonden ze ferm met hun ogen te draaien bij elke handeling waarvoor Aubrey zijn rug naar hun keerde.

Dus zit ik hier op straat, met de ouwe getrouwe Ipod – mijn mini-mirakel, het moet ergens begin april 2004 geweest zijn dat ik er trots mee uit de Apple store Gent liep. Laatst viel het me plots te binnen dat de kleine grijze het enige object is dat bij me was op al mn reizen. Australie, Korea, Rusland, Mongolia, China, SA, USA,... Soms was het mijn enige gezelschap voor dagen, soms konden de liedjes me optillen tot emotionele hoogte, ik herinner me bepaalde momenten, The World's Greatest cover van Bonnie Prince Billy elke ochtend bij koffie en een sigaret op 't straat in Geelong, Paper Planes van MIA in het gat van de nacht ergens in Rusland dicht bij de grens met Mongolia (“I got more records than the KGB”), Electricity, OMD in het overvolle metrostation Sinchon, Seoul, De vele nachten gered door de rustige playlists in een dorm vol snurkers (belle & sebastian. coco rosie, tangerine dreams), ...
Veel herinneringen; ik noem het 'injecties van opvullend geluk', wanneer je plots volloopt en de schouders recht, rechter dan een ander ooit.

Het kleinood werkt nog steeds; al heeft ze wel haar kuren, weken dat de batterij direct leegloopt, ergens anderhalf jaar geleden skipte ze voor een maand of twee,... Kleine dingen, die je vergeeft, en later apprecieert. Oh Podje, wat een genot is het telkens weer dat metalen pinnetje van mijn earplugs in je plezantste gaatje te steken! Ook nu weer. Hoeveel Mini's zouden er nog werken?

Stefan komt me sebiet oppikken – ik verhuis tijdelijk weer naar Big Bay. Morgen heb ik een missie. Het flikkenkantoor. Ik moet en zal dat contract in handen krijgen.

***

Ondertussen op het knekelveld veel ontdekt. Aan de hand van de informatie op de graven een tijdlijn samengesteld, dankzij Google ook te weten gekomen dat de oude molen hier in Mowbray in 1823 verkocht werd aan de familie Mostert, door de familie Van Reenen. Laat dat nu net de hofleveranciers zijn van graven. Dat er behoorlijk weg en weer werd getrouwd tussen deze twee (Nederlandse) families en twee Engelse families, de Mullers en de Stadlers. Nichten en neven, dat soort van dingen.
Ook de graven kunnen identificeren van de oerouders; één ervan staat op een kier, maar de tablet is te zwaar om te verschuiven, dus heb ik er mijn hand met kodak ingewrongen en de binnenkant gefotografeerd. Ik denk dat er op de foto's een bot (bovenarm) te zien is, en een nog gesloten kist (man en vrouw liggen samen begraven, nvdr.). Het plan was: vandaag naar de plaatselijke bibliotheek gaan voor informatie (unief heeft op het eerste gezicht niets), maar dat was buiten de huisbaas gerekend. Dus over het lot van de drie meisjes nog niets meer te weten gekomen. Op het graf van oerouder Sybrand Jacobus Mostert:

Hier rust het stof eens braven Grysaards,
in ryken leeftyd afgemaaid,
de ziel tot hoger spheer verheven,
oogst nu hetgeen hy heeft gezaaid,
op Jezus was zijn oog gevestigd,
in Jezus armen rust zyn geest.
Nu wacht hy op het jongst der dagen
en houdt dan eeuwig met Hem feest.


Opa Mostert, die de molen kocht en nog lang en gelukkig leefde. Een feest hier en daar, met familie, op het hoogtepunt een man of twintig groot – voor Kerstmis bijvoorbeeld, opa in de zetel met een hollandse sigaar en wat jenever. Feest vieren in het begin van de negentiende eeuw in Cape Town. Het moet iets geweest zijn. Dat bot van zijn bovenarm is in elk geval bruin.

vrijdag 28 januari 2011

Drie Bloempjes

Drie bloempjes van den tak genomen
Voor 't oudren hart een groot gemis,
Heeft God in 't Hemelryk doen komen
Ja daar, waar Jezus is,
De Christen met zyn lot begaan
Denkt wat de Almagt doet is immer
welgedaan.


Staat gekerfd in een grafsteen met drie meisjesnamen op. Van kinderen, gestorven in een tijdspanne van twee weken, het eerste op 20 december 1854, amper tien maanden oud: Georgina Wilhelmina Muller. Drie dagen later al: Georgina's zusje, Maria Johanna Cornelia Muller laat het leven, drie weken voor haar derde verjaardag. Op 5 januari overlijdt ook Johanna Petronella Muller, de oudste, anderhalve maand later werd ze zes.
Twee graven verder: Cornelis Johannes Muller. Gestorven op kerstavond van het jaar 1935, leeftijd: 88, wat hem van 1847 maakt. Is Cornelis de oudere broer van de drie meisjes? Kan het anders, cfr. de namen? Was hij getuige van hun dood, als achtjarige knul? En wat met al die drie-en rond Maria Johanna's? Mysterie! Toeval! Heeft Cornelis zijn uitzonderlijk lang leven te danken aan de balans van het universum, maw: vond hij zijn lang houdbaar brood door de zussen hun premature dood?

En plus.

Schuin achter deze twee familiegraven, een vierde meisje: Johanna Muller. N? 9 september 1856, minder dan twee jaar na het trio laatste vaarwel, elf jaar later zelf ook weer dood. Op haar grafzerk kan je lezen:

De mensch van een vrouw geboren,
Is kort van dagen en zat van onrust,
Hij komt voort als ene bloem,
en wordt afgesneden.
Ook vlucht hij als ene schaduw
en bestaat niet meer.


Wat dachten de ouders Muller toen ook hun vierde dochter te jong stierf?
(In elk geval werd de moeite gespaard een nieuwe naam voor het kind te bedenken. Moeten ze op haar tiende verjaardag toch even gedacht hebben doeme, nu leeft er ene zolang en hebben we haar gewoon Johanna gedoopt.)

Vader George Muller dacht: De pot op met Jezus en de almagt, ik ben op cafee want ik kom hier zot? (Waarna hij zich dronken, door dronken vrienden overhaald, terug aansloot bij de plaatselijke cricketclub en nog twee mooie seizoenen bijdroeg tot het succes van zijn team, als ervaren batsman en occasionele spin-bowler.)

Moeder Muller, geboren Smuts, dacht: Maar dat van die bloemen vonden we wel schoon vorige keer, ne George? En ook iets over mij als moederpersoon alstublieft, want ik heb toch meest afgezien, van al die dode dochters.

De zoon uiteindelijk dan, kinderlijker nog in zijn verdriet, staart voor zich uit tot het donker wordt, de dansende schaduw van de takken waar de winter het bloeien uit keek.

***

Ik kan het amper verhelpen, wil verhelpen, maar sinds de eerste keer op de kleine begraafplaats tegen de wand van de berg, in onbebouwd gebied tussen UCT Upper Campus en het Cecil Rhodes memorial, ben ik op zn zachtst gezegd behoorlijk geintrigeerd door deze combinatie van grafzerken. Moet ik nu de archieven in? Of zal ook deze obsessie verdwijnen zonder wrijven?
Bovendien vind ik - vanuit het perspectief van de literatuur-student met een aangeboren zwak voor dichtwerk - dat tweede stukje niet alleen knap beeldrijk, zelfs progressief in vergelijking met het eerste (geen rijmschema of jambische meters, 'zat' van onrust, een volledig afzweren van God , in1867!), maar vooral erg donker. Het leven van de mens, dat voorkomt (passief!) als een bloem die wordt afgesneden en enkel kan vluchten in schaduw, die toch net iets langer leeft. Maar wel ook sterft, heel kort erna, te snel voor het licht begrip van de mens. Zelfs erger: Niet meer bestaat, wat dieper gaat dan niet leven, sterven. Vergeet de ziel, het hemelrijk. Lig nergens anders dan weggerot tussen de graven van anderen waar het gras weelderig groeit tussen de kraken van de stenen, de poort, smeedijzer, is gesloten maar de muren niet erg hoog. Bomen geven aan de helft van het perk lommer – de zusjes echter liggen vlak in de zon, hun donkergrijze gedenksteen warmde op als een bakplaat.

Het was op weg naar de bergtop aan Lion's Head, van waar ik samen met Glendon, een zwerver/filosoof met connecties overal - vooral in de straten, mijn straten - naar de stad beneden keek, en niet teveel nadacht over het feit dat de bouwwerken aan het English Department nog steeds niet voorbij zijn; This Is Africa. TIA baby. Geduld is een noodzaak. Ondertussen al lang mn boeken uit, en aan de UCT bibliotheek begonnen.

Naar Pretoria gevlogen en het beste 'random concert' ooit gezien – het genre van je komt iemand tegen met een guitaar in een backpackers die vraagt of je hem wil zien spelen. Zo random. Dronken Toby Benko, die er bijna toe kwam om de Zweedse Eva terstond ten huwelijk te vragen, en ervoor tijdens het spelen diep in haar ogen keek, maar zij, bijziend zonder bril, moest het achteraf van mij, bijziend met bril, horen. Had op zijn minst tien Black Labels binnen vooraleer hij een onvergetelijke versie van Working Class Hero inzette. And I never met a Toby that I didn't like.
Union Buildings bezocht, dat is al, maar het regende zoveel. Matt Damon liep er ooit over de trappen. Waw. Morgan Freeman speelde er tegelijkertijd Mandela. Arme Nelson, van wie vanavond welles nietes werd verteld dat hij net zijn laatste vrijheidswandeling maakte.
Verder een concertje af en toe, of een feestje, in Cape Town, men kent dat wel. The Simple Life hier thuis in Mowbray. Harten troef. Koning van de dieven. En de straat schendt nooit haar vrienden.


Dit alles vertelde een gezegende ik, die u groet, als een vakidioot op sletsen,

J.

donderdag 6 januari 2011

een enkele groene

Het is alweer een tijd geleden, zolang zelfs dat mijn gelukkig nieuwjaar komt nadat het gedruis lang niet meer weerklinkt in de straten van de steden die we samen kennen. Mijn excuses daarvoor zijn er niet minder door gemeend. Zuid-Afrika en het internet, het blijft een problematisch gegeven, met belachelijke prijzen en beperkte draadloosheid. Soms doe ik gewoon niet genoeg mijn best, dat ook wel. Toegegeven.

Ik ben ondertussen verhuisd vanuit de backpackers in Obz naar een mogelijks meer permanente setting – een kamertje in een huis dat ik deel met een fit uitziende Nigeriaan die graag dweilt en werkt aan zijn PhD in Law en een gast van Mauritius met een nakende Master in Physics. Hij gaat elke dag naar de gym, en drinkt van die shakes met pomppoeder, waardoor zijn musculatuur eruit ziet alsof iemand er een rietje aan zette en blies zo hard hij kon. Ik ben hier met voorsprong de magersten, behalve mss rond de buikstreek. Verhoudingsgewijs zeker weten.We komen goed overeen, das t voornaamste. Erg studentikoos, met een waterkoker, gedeeld toilet en een bed in de hoogte, net zoals dat kot ooit in de Victoriastraat, dat ik enkele hoofdstukken geleden halsoverkop verliet voor een avontuur er ver vandaan.

Maar nu, vandaag, is dit mijn adres:

4, Mount Road
7700 Mowbray
South Africa

Ik heb trouwens ook een SA telefoonnummer: 27733833239. Dat van Belgie werkt niet meer. Ik denk immers dat mijn simkaart ergens tussen Big Bay, Cape Town, Observatory en Mowbray op t straat is beland. Helemaal zeker is dat niet, maar toch. Ik heb een vermoeden. Bel me, schrijf me.

Heeft iedereen het jaar ingezet met stijl? Ik wel. Eerst deftig gaan eten met Stefan en Stephan, daarna rondgehangen op Long Street tot het middernacht werd en dan met een roos bandje rond de pols gependeld tussen twee clubs, waarvan vooral de tweede zweterig werd. Overigens waren we allen al lang dronken toen, een verwachte ingesteldheid die begon hier in dit eigenste kamertje van me, met wodka en appelsap, verder gezet in het taxibusje dat ons in vijftien minuten naar t centrum bracht. De champagne voor het eten deed de rest.

Ben ook nog steeds flink aan het lezen, al mooi over halfweg in die toren boeken die nu als op de plank van een boekenkast op mn burootje staat. Lesogo Rampolokeng schreef 'I'd make a kite of my heart if I could fly it.' Dat vond ik wel schoon.
Tussen het lezen door ga ik dezer dagen ook naar de cricket met Eva de Zweedse wereldburger. Zuid-Afrika speelt de derde Test Cricket match tegen India, op een steenworp van hier (die in Centurion was voor SA, die in Durban ging naar India, 1-1 dus). Vanaf tien uur in de blakende zon op een grasveld naar volwassen venten kijken die op t gemakske een bal weg en weer gooien en slechts sporadisch hun pas versnellen – het heeft iets van tijdens de Europese zomermaanden languit naar een vlakke rit in de Tour de France kijken. Na de eerste inning is de stand 361-364 voor India, met al twee wickets weg voor 51 in de tweede (SA bat eerst, nadat India de toss won). Ter informatie.
Morgen lig ik daar weer in t gras. Hopelijk vinden Hashim Amla en Alviro Petersen tijdens de nacht een remedie voor al het Indisch bowlinggeweld... Het zou de eerste keer zijn dat Proteas thuis van India verliest. Mijn thuis.

Twijfel je nooit aan je keuze, vroeg Eva plots toen we met een rood voorhoofd (ik) en rode kniee-en (zij) van het stadion wegliepen. Ik denk van niet, was mijn antwoord. Wat zoveel betekent als twijfel over twijfel. Maar als je twijfelt over twijfel, wat blijft er dan over? Is het als twee minnen die elkaar uitvlakken? Of twijfel in het kwadraat?
Ik heb er eigenlijk nog niet bij stil gestaan, bij de zin of onzin van deze laatste impulsieve daad, was mijn definitieve antwoord. Als je moet kiezen tussen vijf rode snoepen en vijf groene kun je toch nooit te weten komen hoe die andere vijf smaakten. Maar als je rap bent en ze direct opeet, ben je misschien wel net op tijd om van de ander een snoep af te schooien. Dan heb je vijf groene en een rode. Dat leerde ik lang geleden van twintig frank in de fruitkorf op zondagen.

Je kon ook gewoon wisselen, zei ze. Dan heb je vier groene, een rode en geen buikpijn.

Verder:
Begint algauw t unief opnieuw te werken, spannende dagen komen eraan, dagen die mijn toekomst gaan bepalen.
Bevindt er zich twee huizen verder in mijn straat een karateschool; het zit er dik in dat ik me daar kortelings inschrijf.
Is er van Ally Shina geen spoor meer te bekennen, ook en vooral omdat ik er niet achter zoek / wil zoeken, een atypisch emotioneel foert dat me soms 's avonds nog steeds kan verbazen. I think I unknowingly dodged a bullet... Bleek ze toch wel een serieuze vijs hebben loszitten, dat negerinnetje van me. Bovendien stikt het hier van de schone & schaars geklede vrouwen. Van elke kleur.

En vooral: hangt er in deze stad een sfeertje van alles is mogelijk. Alsof revolutie broeit, niet van politieke aard, of artistieke, of zelfs niet culturele. Eerder een soort van mogelijkheid tot al wat mens is ziet elkander graag. En al moet je om dat te zien voorlopig nog langs de lelijkheid van de restanten van een vuil verleden kijken (mensen zonder tanden die high van de crystal meth een weg terug naar hun township zoeken, rijke witte die hun neus ophalen), de hoop straalt uit de ogen van de mensen van goede wil. En nu, na een maand, denk ik daarin een plaats te hebben gevonden, met het gevoel te wonen exact daar waar ik dien te wonen. Als ware het haast voorbestemd.

Dus, twijfel? Neen. En met een enkele groene heb ik eigenlijk al meer dan genoeg.

woensdag 22 december 2010

Veranderingswind

Gelezen dat ik heb de laatste dagen! 550 pagina's wetenschappelijke literatuur, eerst over trauma in SA (amai mn frak...), dan een bundel essays specifiek over het wel en niet van de Truth and Reconciliation Committee, het orgaan dat na 1994, hét jaar, de schade van de apartheid moest herstellen, en nu een studie over de moraliteit van ikasi (Xhosa – de x is een klik – voor township) jeugd. Op vrijdag immers naar Clark's bookstore en een kleine investering gedaan, die daarstraks nog als een toren boeken op de salontafel in Big Bay stond. Ik denk dat het straks tijd wordt voor een roman...

Na vorige dinsdag, dé dag, en voor de reunie met De Boeken eerst wel een aantal dagen gevierd, een beestje blijft van aard, – één van de hoogtepunten: in Tiger Tiger, een club in een winkelcentrum, op de handen van de andere belgen, crowdsurfend tijdens Teenage Dirtbag. Na twintig seconden stond er een beer van een neger aan mijn mouw te trekken en tien seconden later aan de kraag mee naar de uitgang. Lap. Buitengesmeten.

Maar dus geen salontafel meer. De huisvreugd die ik deelde met Stefan en Stephan, achtergelaten voor de wereld van de backpacker, vanwaaruit ik op zoek ga naar een woonst – hoe dichter bij de campus hoe beter en hoe goedkoper hoe t best; waar k met die ingesteldheid uiteindelijk aankom is een raadsel dra opgelost. Morgen huizenjacht. Nu ja, huizen...
Een ander konijn dat ik wel al gestrikt heb is een bibkaart, waarmee ik gratis en voor nop de shuttle dienst van UCT op mag. ACE indeed. En onbeperkt Boeken natuurlijk. Ik heb trouwens een snee in wijs- en middelvinger van mijn linkerhand. Hoera!

Oh, 28 december flikkeren ze me ook hier sowieso buiten. Volboekt voor eindejaar. Net als alle andere backpackers in de buurt. En als je weet dat de contracten voor huur ook hier de eerste van de maand ingaan, zit ik helegans met een ei van vier dagen over tijd. (Een transgendermetafoor?!)

Oh ja, morgen vier ik met een deel Zweedse meiden mijn warm welkom in de buurt – zij wonen aan de overkant van UCT – en tegelijkertijd op hun manier kerstavond. Dat wil zeggen: met a lot of glögg, ofzo. Geen idee wat dat betekent, maar ik heb het gevoel dat je er dronken van wordt. Voor tzelfde geld is t gebak. In elk geval heb ik het wel voor Zweedse gebruiken. Op een braai zo'n zakje met tabak & kruiden onder mijn lip geduwd, na eerst verkeerdelijk onder mijn tong stommerik, en dat was lekker. Lekker onder de lip, en dan door de spleten van je tanden.

Verder wil ik me excuseren. Voor de kwestie van hak op de tak. HAYIBO!

woensdag 15 december 2010

Een Goed Plan is beter dan geen plan

Er zijn soms van die dagen. Je staat op met de mogelijkheid van meer dan een dag, en dan een tiental uur later kijk je bij jezelf over de schouder en je ziet meer dan wat gemiddeld mogelijks kan. Een heroische fietstocht, het openbloeien van iets met een meisje dat begon als een gesprek in de zon, een beslissing waarover andere mensen maanden doen, maar niet jij die zich gewillig liet meedrijven in de maalstroom van oorzaak en gevolg, en dat wat ooit ergens achteraan je gedachten bengelde staat plots verleidelijk in je gezicht te lachen en met de heupen te zwieren.

Attentie, doch! Geen nieuw wulps verhaal, maar passie van een geheel andere orde. Ik ben vandaag en gisteren plots overmand door het gevoel: de wereld, mijn speelplaats, heeft iets in petto. Dus met mijn stoutste schoenen aan ben ik naar Cape Town University getrokken, met in mijn linnen zak niets meer dan mijn kleine trouwe laptop en papieren die spreken van de inhoud van mijn mars. Ik ben er compleet op t onverwachte het departement Engelse Literatuur binnengewandeld om te zeggen kijk mijn naam is Jan, ik ben niet van de domste, en ik zou graag een doctoraat beginnen hier. De twee dames van de receptie, de ene een negerin met een ontzettend warme glimlach, en de andere eerder van meer oosterse regionen, maar ook met een ontzettend warme glimlach, vroegen: heb je een doctoraatsvoorstel? En ik stoutmoediger dan ooit tevoren: ik heb er zelfs meer dan twee, maar wel enkel in mijn hoofd!

Oei zegden ze, dat zal niet gaan dan, en ik: geef me een uurtje en dan typ k het uit. Perfect zeiden ze beide, en ze lachten nogmaals hun warme lach, waarop ik rond de hoek aan een tafeltje een kladje uitschreef over wat mijn plotse doctoraatsvoorstel zou inhouden. Je bent net op tijd, riepen ze me nog na, want morgenochtend komt het committee samen om de voorstellen te evalueren.
En zo stond een uur later ik in het buro van Isa, de zwarte, met op mijn flashdrive een idee voor een docotoraatsvoorstel dat ze opstuurde naar de proffen. Morgen bel ik je over het resultaat zei ze nog, en ik naar huis een duizend bedankjes achterlatend.

Met een glimlach liep er die maandag een Belgische jongen door de immense campus van UCT, denkend van, dat ging helemaal niet slecht, en we zien morgen wel, maar tegelijkertijd ook wel met een enorme zin om terug studentje te spelen; de gangen in het departement, de oude gebouwen van de upper campus tegen de bergwand aangeschurkt, met een zestigtal treden die leiden naar het centrale plein, bijna als een forum romanum, een middelpunt van iets dat ruikt naar oude boeken en wijsheid. Oh heerlijke Boeken, met al die slimme letters erin, hoezeer verlang ik naar Uw Pagina's. Hoezeer wil ik terug mijn vingers snijden aan Uw Papier! Zo'n dingen dacht ik op weg naar beneden, enigszins gereserveerd, dat wel.

Na maandag komt dinsdag, en die ochtend van de nieuwe dag begon zoals elke andere dag hier totnutoe; een kop korrelkoffie en een rooie stuyvesant tot plots rond tien uur mijn gsm rinkelde – het was Isa. Dat de committee liet weten dat er meer dan gewone interesse was in mijn voorstel. Dat er een professor is die zo gauw mogelijk met me wil praten...

Hoeft het gezegd dat ik stante pede een plan maakte en opnieuw naar UCT aanzette? Dat ik goed anderhalf uur later de hand schudde van de professor in kwestie en nog anderhalf uur later na een geweldig interessant gesprek met mijn kop vol idee-en voor de tweede keer in evenveel dagen die zalige wandeling naar bedenen deed. Met een ongelooflijke mogelijkheid in de broekzak van mijn brein: te doctoreren aan de oudste universiteit van Afrika. Een twist of fate zoals ik er misschien nog maar ene keer van heb gehad, die keer dat ik in twintig minuten besliste om een jaar in Seoul te gaan wonen, een dag die nog steeds staat geboekstaaf als de geboorte van het Korejantje. Zomaar, op de trein van Oostende naar Gent. En nu, amper twee jaar later, kijk ik vol goesting naar de komende anderhalve maand, waarin ik op zoek moet naar een dak, een bed en een burostoel, om dan te lezen als een wilde wilde gek (niet toevallig een huisspecialiteit), en aan het toetsenbord moet om de tien a vijftien pagina's die men normaal verwacht van een voorstel rond te krijgen. Een gemotiveerd man is er twee waard.

Waar dit me laat in the grand scheme of things? Nog geen idee. Dat ik waarschijnlijk niet zomaar kortelings naar huis kom? Al zijn er waarschijnlijk documenten die ik zal nodig hebben. Documenten met officiele stempels and such... Ach, futiliteiten...

Juich toch maar al een beetje, mijn vriendschap. Ik heb immers wellicht net voor alleman de beste vakantieplaats gefikst.

maandag 6 december 2010

A Long Expected Entry

Sorry iedereen. Voor die dagen van stilte. Ik heb ze aangewend voor enkele tours de force; graag had ik er nog één meer bijgedaan – het aankondigen van een nieuwer plan. Voorlopig komt hier enkel wat gebeurd is, niet wat nog kan komen.

Hectische vlucht, alweer. Zodanig dat de balans leek over te hellen van 'verdomme, wat heb ik weer een pech' naar 'met al die pech heb ik sjans dat...'
Eerst en vooral: twee besneeuwde en bevroren Europese luchthavens. Qua symboliek een prentje, wie zegt er liever dag land dan de reiziger die van vrieskou naar de zomer trekt, maar praktisch toch niet zo vlottend; drie kwartier vertraging in Brussel, oplopend tot anderhalf in Parijs. Een vliegtuig met een bang afwachtend manneke aan boord.
Door die vertraging alweer die Addis Ababa-stress. Laten ze een vliegtuig naar Johannesburg wachten op passagiers nog onderweg? En hoeveel extra vertraging krijgen we nog, want ook in Johannesburg een vlucht te halen. Enfin.
Na landing in de hoofdstad van Ethiopia – dicht tegen de twee uur vertraging – loop ik als één van de eersten de hangar/luchthaven binnen, een vrouw voorbij die enkele bestemmingen afreutelt waaronder ook de mijne, ik zeg ja! En ze neemt me onder de arm mee langs een korter weggetje zodat ik niet via de security checkpoint moet. Wat een meevaller, en plots denk ik ook aan het feit dat ik voor Addis – Johannesburg nog geen boarding pass heb. Om de een of andere reden kon die in Brussel niet afgeprint worden. (U zult in Addis uw boarding pass moeten afhalen – Ik vind ddat niet zo'n goed idee)
Anderhalf uur heeft het geduurd om aan die verrekte pass te geraken. Uiteindelijk hebben ze met stylo op een blancootje mijn naam en vluchtnummer geschreven, en een zitplaats. Na vijftien conversaties en oeverloos geduld. De vlucht, met 100 minuten vertraging, heb ik wel gehaald. En zo via Johannesburg naar Cape Town gevlogen, waar ik toekwam met een rugzak die stonk naar kriekenbier, want er was een blikje gebarsten. Bij het landen, weer die tafelberg, de stad, de zee. Nog steeds van aanvliegen een favoriet. Zelfs na grondige schrobbeurt staat de groene hier nog steeds in een hoekje te meuren. Wel minder als ik straks wil vertrekken. Als als als.

Iedereen op het puntje van de stoel zucht. Wanneer vertelt hij eindelijk van zijn lief, dat zwart meisje dat ergens in april met grote trom zijn leven binnenwandelde, wiens echo de woorden op deze blog domineerden?

Dat is ergens misgelopen. Omwille van redenen. Een mens kan enkel proberen om alles te verstaan, en ik ben tot een soort begrip gekomen. Heb ik toch maar mooi twee maanden lief, lijf en leed gedeeld met een schone Zuid-Afrikaanse en haar Grote Mond. Content.
Dat merkte ik toen we aan Green Point op een terrasje grote garnalen deelden. Ik ben daar trouwens geraakt door te fietsen van Big Bay, waar het huisje staat, voorbij Blouberg strand, Table View, Dolphin Beach en Milnerton, door Cape Town downtown, met een beetje omwegen, want ik wist de weg niet zo goed. Twintig K, werden er makkelijk 25-30. En op de terugweg op gevoel compleet verdwaald, mountainbiken in de jungle van de stad, van korte stukken autostrade, tot alla veldrit met fiets over de schouder langs stijle bermen en wegenwerken op en onder bruggen. Nog eens minstens 40 erbij. Op een mountainbike met platte banden. Langs de claxons van verontwaardigde bestuurders - wat, een fiets op de snelweg stupid ass!

En toen ik uiteindelijk toch door Blouberg reed en de heuvel waarop Big Bay ligt, verscheen, zakte de moed me door de zolen, ik dacht, misschien dat ik die helling niet meer opgeraak. En toen, net voor de klim, liep mijn voorband leeg, zodat ik met fiets in de hand de laatste kilometer te voet heb gedaan, compleet uitgeput, met glimlach en een rode neus.

Oh oh de zon... Vakantie is leuk, maar ik ben er al iets te lang op. Misschien dat ik gauw vertrek. Met spuitjes en wat visa. Want eigenlijk jeukt het wel.